Steken & technieken · Leestijd ± 10 min

Breisteken: alle basissteken uitgelegd

Bijna elk breiwerk is opgebouwd uit slechts twee steken: recht en averecht. Combineer je die op verschillende manieren, dan ontstaan tricot, ribbels, boorden, zaadsteek, kabels en kant. Op deze pagina vind je alle belangrijke breisteken en technieken helder uitgelegd, van beginner tot gevorderd.

De anatomie van een steek

Voordat we de steken één voor één doorlopen, is het handig om te begrijpen wat een steek eigenlijk is. Elke steek is een lus die door de lus eronder is getrokken. Aan de voorkant van je werk laat een rechte steek een liggende V zien; een averechte steek vormt een klein horizontaal bultje. Sterker nog: een rechte steek en een averechte steek zijn precies elkaars achterkant. Wat aan de ene kant recht is, is aan de andere kant averecht.

Dat inzicht is de sleutel tot alle patronen. Door te kiezen wélke kant je waar laat zien — en in welke volgorde — bouw je elke structuur op. Ken je de rechte en averechte steek eenmaal, dan is elke andere steek een variatie. Nieuw met breien? Begin dan eerst bij onze beginnersgids.

De rechte steek

De rechte steek (afgekort r, ook wel de breisteek) is de belangrijkste en meestgebruikte steek. Aan de voorkant zie je de kenmerkende v-vormpjes. Het ezelsbruggetje voor de beweging is: insteken, omslaan, doorhalen, laten vallen.

  1. Houd de werkdraad achter je werk en steek de rechternaald van voren naar achteren in de eerste steek.
  2. Sla de draad van achter naar voren om de rechternaald.
  3. Trek die nieuwe lus door de steek naar voren.
  4. Laat de oude steek van de linkernaald glijden.

Brei je een heel lapje uitsluitend recht (aan beide kanten), dan krijg je ribbelsteek. Wissel je recht af met averecht, dan krijg je tricot. De rechte steek is dus je vertrekpunt voor bijna alles.

De averechte steek

De averechte steek (afgekort av) is het spiegelbeeld van de rechte steek. Je houdt de draad nu vóór je werk en de steek laat aan de voorkant een klein horizontaal bultje zien. Veel beginners vinden averecht in het begin wat onwenniger dan recht, maar met een paar rijen oefening gaat het net zo vanzelf.

  1. Breng de werkdraad naar de voorkant van je werk.
  2. Steek de rechternaald van achteren naar voren (van rechts naar links) in de steek.
  3. Sla de draad om de naald en trek de lus naar achteren door.
  4. Laat de oude steek vallen.

Onthoud: bij het wisselen tussen recht en averecht binnen een rij moet je de draad telkens netjes naar de juiste kant brengen — achter voor recht, vóór voor averecht. Vergeet je dat, dan ontstaat er ongewild een omslag (extra steek en een gaatje).

Tricotsteek (jersey)

De tricotsteek is de gladde steek die je van vrijwel elke trui en t-shirt kent. Je maakt hem door recht en averecht per rij af te wisselen: brei je op de goede kant een rij recht, dan brei je op de verkeerde kant terug in averecht, en zo verder. Het resultaat is een egale voorkant vol v'tjes en een bultige achterkant (die "omgekeerde tricotsteek" heet).

Let op — tricot krult om: de randen van tricotsteek rollen van nature naar binnen. Voeg aan de zijkanten een paar steken boord- of ribbelsteek toe, of block je werk na afloop, om dat tegen te gaan.

Ribbelsteek (garststeek)

De ribbelsteek — ook garststeek genoemd — ontstaat als je elke rij recht breit. Doordat je zowel op de goede als de verkeerde kant recht breit, krijg je horizontale ribbels en een stof die aan beide kanten hetzelfde is. Ribbelsteek is stevig, dik en krult niet om, wat hem perfect maakt voor beginners.

Het is dan ook dé steek voor een eerste sjaal, voor dekens en voor randen die plat moeten blijven liggen. Twee rijen recht vormen samen één zichtbare ribbel, wat handig is om je rijen te tellen.

Boordsteek

Boordsteek is elastisch en trekt zichzelf samen, waardoor hij ideaal is voor manchetten, de boord van een muts en de onderkant van een trui. Je wisselt binnen dezelfde rij rechte en averechte steken af, en houdt dat in de volgende rijen consequent aan (recht op recht, averecht op averecht).

1 om 1 boordsteek

Steeds 1 recht, 1 averecht. Een fijne, strakke en zeer elastische rand, veel gebruikt bij sokken en mutsen.

2 om 2 boordsteek

Steeds 2 recht, 2 averecht. Een iets bredere, wat minder strakke ribbel, populair voor truien en vesten.

Wil je dat een boord goed blijft zitten, zet dan iets minder steken op dan de uiteindelijke omtrek: de elasticiteit doet de rest.

Zaadsteek (rijststeek)

De zaadsteek (ook wel rijststeek of moss stitch) geeft een prachtige, gestippelde structuur die niet omkrult en aan beide kanten mooi is. Je wisselt binnen de rij 1 recht en 1 averecht af — net als boordsteek — maar in de volgende rij brei je averecht op recht en recht op averecht. Zo vallen de bultjes steeds net verspringend, wat het typische zaadkorrel-effect geeft.

Zaadsteek is een geliefde keuze voor sjaals, dekens en accenten op truien, juist omdat de stof plat blijft liggen en er verzorgd uitziet.

Kabelsteek

Kabels zijn die prachtige, in elkaar gedraaide strengen die je van klassieke Ierse (Aran-)truien kent. Ze zien er ingewikkeld uit, maar het principe is eenvoudig: je breit een groepje steken in een andere volgorde dan ze op de naald staan. Daarvoor gebruik je een korte, gebogen kabelnaald.

  1. Schuif enkele steken (bijvoorbeeld 2 of 3) op je kabelnaald.
  2. Laat die kabelnaald vóór of achter je werk hangen — vóór geeft een linkse draai, achter een rechtse.
  3. Brei het volgende groepje steken van je gewone naald.
  4. Brei daarna de steken van de kabelnaald. Door de verwisselde volgorde ontstaat de draai.

Begin met een simpele kabel over 4 of 6 steken, om de dertig centimeter gedraaid. Zodra je het ritme te pakken hebt, kun je eindeloos variëren.

Ajour- en kantsteken (omslag)

Ajour (of kant) is het luchtige, met gaatjes bezaaide breiwerk dat je in fijne omslagdoeken ziet. Elk gaatje maak je met een omslag: je slaat de draad extra om de naald, wat een steek erbij maakt én een opening achterlaat. Om je stekenaantal gelijk te houden, combineer je elke omslag met een mindering (twee steken samen breien).

Zo verplaats je in feite gaatjes door je werk en ontstaat een patroon. Ajour vraagt wat oefening en concentratie, maar bouwt volledig voort op de steken die je hierboven al hebt geleerd.

Minderen en meerderen

Wil je je werk smaller of breder maken — voor de kruin van een muts, de mouw van een trui of de vorm van een omslagdoek — dan minder of meerder je steken. Dit zijn de meestgebruikte manieren.

Minderen (steken weghalen)

  • 2 samen breien (2 sam.br.): steek de naald door twee steken tegelijk en brei ze als één. De mindering helt naar rechts.
  • Overhalen (ssk): haal twee steken los over, steek de linkernaald erdoor en brei ze samen. De mindering helt naar links — mooi symmetrisch met 2 sam.br.

Meerderen (steken erbij maken)

  • Omslag: sla de draad om de naald. Snel en makkelijk, maar laat een gaatje achter (gebruikt in kantwerk).
  • Uit 1 steek 2 breien: brei een steek eerst recht en dan door het achterste lusje nogmaals — twee steken zonder gat.
  • M1 (make one): til het horizontale draadje tussen twee steken op en brei het gedraaid; een vrijwel onzichtbare meerdering.

Steken oppikken langs een rand

Voor boorden, kraagjes of het aanbreien van een rand pik je nieuwe steken op langs de zijkant of onderkant van een klaar stuk. Steek daarvoor je naald door de rand, sla de draad om en trek een lus door — precies alsof je een nieuwe steek maakt, maar dan uit het bestaande werk.

Een handige vuistregel is om ongeveer 3 steken per 4 rijen op te pikken langs een verticale rand, zodat de nieuwe rand niet gaat golven of trekken. Verdeel de steken gelijkmatig voor een strak resultaat.

Veelgestelde vragen over breisteken

Steken oefenen in de praktijk

De beste manier om steken te leren, is ze meteen gebruiken. Begin met een sjaal in ribbelsteek, ga daarna over op tricot en boorden, en waag je aan een eerste kabel. Alle afkortingen vind je in ons woordenboek.